http://www.leuvencentraal.org
Verstuur dit artikel via mail title= Verstuur dit artikel via mail

De uitdagingen van opbouwwerk

dinsdag 4 november 2008, door Pascal Debruyne en Stijn Oosterlynck

Alain Storme is coördinator van Samenlevingsopbouw Brussel.Daar probeert hij in te gaan tegen de tendens tot toenemende beheersing en de evolutie naar ‘repressieve steden’. Een gesprek met iemand die opbouwwerk nog steeds beschouwt als een vorm van gesubsidieerde oppositie.

Storme: ”Samenlevingsopbouw heeft een ’politieke kernopdracht’, waaronder alles wat te maken heeft met sociaal corrigerend beleid en het verwezenlijken van grondrechten thuishoort, en een ’agogische opdracht’ rond participatie van kwetsbare groepen. Door het woningprobleem werken we vooral rond huisvesting. Zo willen we de concepten ‘woonwinkel’, ‘begeleidingdienst voor thuislozen’ en ‘collectief spaar- en aankoopfonds’ uitwerken. Ons andere luik heeft te maken met fysieke en sociale leefbaarheid. Hier komt het er op aan van leegstaande of ‘stedenbouwkundig belaste’ gebouwen betaalbare en aangepaste woningen te maken, en concepten als sociale cohesie en veiligheid te herbepalen buiten de grenzen van het huidige mainstream denken erover.”

> U bent al 25 jaar werkzaam in het opbouwwerk. Wat zijn voor u de meest fundamentele veranderingen?

“De touwtjes worden terug strakker aangetrokken. Onze kerntaken zijn bijvoorbeeld sterk verbonden met onze structurele betoelaging door het Vlaamse ministerie van Welzijn en Gezondheid. Daardoor moet je je eigen streefdoelenbinnen de marges van een bepaald beleid realiseren. Met projectmatig werken is het bijvoorbeeld niet evident om rond de regularisatieproblematiek van mensen zonder papieren te werken. Trouwens, hoe afhankelijker je wordt van niet-decretale middelen en projectfinanciering vanuit lokale overheden, hoe sterker de beheersingsstrategie wordt.

Daarnaast merk ik over die 25 jaar vooral een grote professionalisering en ‘methodologisering’. Dat heeft zijn oorsprong bij de liberale minister Poma die de sector wou rationaliseren en professionaliseren. Opbouwwerkers moeten professionele vakmensen worden, technici die lokale problemen oplossen. Hierdoor dreigen opbouwwerkers het grotere maatschappelijke plaatje te verliezen. We moeten nu bijvoorbeeld boordtabellen opstellen waarin resultaten cijfermatig worden weergegeven. Verantwoording afleggen is op zich geen probleem, maar de vraag is of veel effecten zomaar te meten zijn. Bovendien dreigen we door het professionele overheidsjargon ook vervreemd te geraken, zowel van onze eigen mensen in het veld als van de bewoners. Deze tendensen staan haaks op de ideeën van mijn generatie die opbouwwerk ziet als een vorm van gesubsidieerde oppositie.”

> Paradoxaal bij die professionalisering is dat iedereen moet bezig zijn met zijn eigen doelstellingen, terwijl er door coalitievorming eigenlijk geen reële tegenmacht wordt opgebouwd.

“Dat is zo. Wij ondersteunen bijvoorbeeld het Ministerie van de Wooncrisis in Brussel; een amalgaam van actiegroepen, krakers, individuen en organisaties. Al is het project bottum-up ontstaan, toch was het onmogelijk zonder de ‘voorbereiding op het terrein’ door bijvoorbeeld de Brusselse Bond Recht op Wonen, waar Samenlevingsopbouw Brussel maar ook BRAL deel van uitmaken. Door die coalitievorming kan je de beloftes van het beleid om de zoveel maanden evalueren. Bovendien kunnen we zo de problematische huisvestingssituatie in de pers krijgen. Het is ideaal wanneer je tegelijkertijd van heel nabij kunt opvolgen wat er beweegt rond huisvesting door aanwezig te zijn op hoorzittingen en studiedagen en politici kuntinterpelleren, … terwijl je anderzijds samen met mensen acties op kan zetten.”

> Brussel ligt regelmatig onder vuur voor het gebrek aan een alomvattende toekomstvisie. Nochtans beschikt de stad over een ambitieus‘Plan de Développement International’ (PDI). Wat houdt dit plan in, waar komt het vandaan en hoe beoordeelt u het?

“Het plan werd opgemaakt door Price-WaterhouseCoopers (PWC). Op zich is het al vreemd dat je zoiets aan een extern bureau gaat vragen. Het PDI kent 5 strategische assen: (1) coherent beleid in city marketing, (2) in tien strategische zones infrastructuur met internationale allure opzetten (zoals Thurn&Taxis), (3) verbetering van algemeen comfort en leefbaarheid (hier komen sociale problemen aan bod, maar ook veiligheid en netheid), (4) uitbouw van Brussel als economische regio en (5) meer efficiënt beheer.

Men spiegelt zich aan steden zoals Manchester of Bilbao die zich als ’autonome’ eenheden ontwikkeld hebben door in te spelen op globale kapitaaltendenzen. De reële plannen willen de positie van Brussel in internationale rangschikkingen behouden en zijn eenzijdig op citymarketing gericht. De experts waarbij men te rade is gegaan, zijn bijna allemaal mensen uit private sectoren. Slechts een drietal mensen die Brussel niet in de eerste plaats bekijken als een wingewest werden geconsulteerd (bv. iemand uit het OCMW). Het lijkt op een poging om meer geld los te krijgen van de federale overheid. Wij worden daarin geenszins gehoord. Men is momenteel namelijk sterker in het promoten van de stad dan in het zoeken naar oplossingen voor sociale problemen.”

> Wat denkt u van de geïntegreerde regeneratie van wijken via de ‘wijkcontracten’ en de ‘Plaatselijke Commissies voor Geïntegreerde Ontwikkeling’ (PCGO’s)? “De wijkcontracten zijn grootschalige interventies waarbij telkens gedurende vier jaar ongeveer 10 miljoen euro geïnvesteerd wordt in prioritaire wijken. Het contract bestaat uit vijf luiken waarvan er drie te maken hebben met huisvesting, zowel sociale huisvesting als publiek-private ontwikkeling van huisvesting. Een vierde luik bestaat uit de aankleding van de wijk en het vijfde is het luik voor sociale doelstellingen. Dit alles moet participatief tot stand komen. De PCGO’szijn inspraakorganen met leden uit de ambtenarij, lokale bewoners, mensen uit het middenveld, … Alle betrokkenen leveren expertise of ervaringsdeskundigheid en een studiebureau legt zijn oor te luisteren bij bewoners. De uitkomst daarvan is een voorlopig ontwerp dat ter discussie wordt voorgelegd en dan als basisdossier wordt goedgekeurd. Heel wat zaken worden niet binnen die vier jaar gerealiseerd, maar zijn jaren later nog in uitvoering. Alle afspraken worden echter opgevolgd door de PCGO die twee keer per jaar een algemene vergadering voor bewoners organiseert.

Een eensluidend oordeel over de wijkcontracten is moeilijk. Wanneer je bijvoorbeeld ziet dat de schepen die eigenlijk advies moet krijgen, soms ook de voorzitter is van het adviesorgaan, er soms niet eens een agenda is, informatiedoorstroming vooraf vaak zeer summier is enz., dan moet je kritisch blijven. Ook de beslissing om met wijkcontracten van start te gaan wordt niet gemaakt door de lokale bevolking. De eerste wijkcontracten in 1994 waren in buurten die (markt-)potentieel hadden zoals de Begijnhofwijk. Je merkt dan dat promotoren soms al langer aan tafel zitten dan je denkt, en dat ze zo meer informatie kunnen verzamelen. En toch creëert dit ook kansen. Er zijn namelijk wijken die nooit strategisch zullen ontwikkeld worden, waardoor er nog plaatsen zijn die we op een andere manier als onderhandelde ruimtes kunnen ontwikkelen in plaats van de marktlogica van stadsvernieuwing te volgen.

Ondertussen gaat er meer aandacht en geld naar het sociaal luik. Er was in het begin ook geen sprake van PCGO’s, terwijl er zich daar nu een hele praktijk rond ontwikkeld heeft. Wij zijn redelijk sterk verweven in die PCGO’s. Sommige gemeenten gaan trouwens moeilijk om met die aanpak. In Brussel geldt dikwijls nog ’het primaat van de politiek’, waardoor de participatiedemocratie moeilijker ingang krijgt. In Molenbeek bijvoorbeeld heb je Philippe Moureaux die zich graag opstelt als pater familias, die “ weet wat goed is voor het volk”.

> Kan die ’geïntegreerde wijkontwikkeling’ ook emancipatorische instrumenten aanreiken aan de plaatselijke bevolking? Zijn er dergelijke sociaal-economische projecten op wijkniveau?

“Door de grote afdankingen in de reguliere economie kun je bezig blijven met sociale economie op te zetten in de marge. We hebben vroeger bijvoorbeeld een strijkwinkel opgezet, maar dat lukte niet erg goed, ondermeer door wat doorgaans de wet van de remmende voorsprong genoemd wordt. We zijn toen net niet failliet gegaan omdat er niet op onze vraag naar dienstencheques ingegaan werd. Momenteel gaat het wat beter met de sociale economie, maar die blijft een functie vervullen in de duale arbeidsmarkt, soms voor een eenzijdige activeringspolitiek.

Projecten vanuit Europa zoals URBAN gaan om de realisatie van Lissabondoelstellingen. Er worden wel projecten in de Zuidwijk opgezet, maar dan vooral in de groeidynamiek van het TGV-station. Europa heeft in haar sociaal-economisch beleid een ganse evolutie richting neoliberalisme doorgemaakt. Het tweede en derde armoedefonds eind de jaren 1980 waren nog fondsen die met armoedebestrijding te maken hadden. De lens waardoor ze keken was het welzijnswerk. We hebben vanuit die fondsen ooit een sociaal restaurant opgezet in de Bijstandswijk, om een project rond huisvesting van alleenstaande mannen van de grond te krijgen. Omdat ze wonen subjectief niet als probleem zagen maar hun voedingsproblematiek (gezond eten, alcohol, …) wel, zijn ze samen beginnen koken. Nu zijn ook die sociale restaurants veel meer geprofessionaliseerd.

Op het einde van zo’n project hoop je dat het regulier beleid het overneemtmaar de overheid engageert zich enkel nog voor projecten die na de projectfase worden afgerond. Ze worden dan een ‘goodpractice’, maar blijkbaar zijn ze niet goed genoeg om structureel te ondersteunen. Het ontbreekt aan een goed experimenteerbeleid dat zijn vervolg vindt in het regulier beleid.”

> Welke strategieën ontwikkelt een organisatie met een emancipatorisch ideaal? Is het niet mogelijk dat participanten zelfstandig een project verder beheren?

“Op den duur dreig je een vermijdingsstrategie te ontwikkelen en ga je projecten opzetten die geen langetermijnverwachtingen wekken. Dienstverleningsprojecten worden dan vermeden. Zo zijn sommige waardevolle projecten niet mogelijk. Je kan het rekken door er eigen middelen op te zetten, maar op termijn voel je je gegijzeld. Het moet toch mogelijk zijn dat een experimenteel project na goede evaluatie regulier gefinancierd wordt. Het probleem is dat je vanuit het middenveld geen kant op kunt. Het hele veld is bezet en ondertussen kan de overheid verhoudingsgewijs minder uitgeven.

Je kunt wel wensen dat mensen zelfstandig een project gaan runnen, maar daar komt heel wat bij kijken. Je hebt een boekhouder nodig, iemand die de groep kan leiden, en allerhande competenties die veel mensen niet hebben. En zelfs als het mogelijkis, vind ik het niet altijd wenselijk. Waarom moet de achtergestelde burger aangespoord worden om zelfstandig dingen in hand te nemen? De overheid laat hem structureel in de steek en wij gaan hem activeren?”

> Op de meerjarenplanning van Samenlevingsopbouw Gent klonk het dat opbouwwerkers zich niet moeten bezig houden met de chauffages en wegen, maar met het herstel van het buurtweefsel, met sociale cohesie en het sociaal kapitaal in de wijk.

“In 2001 verscheen een boek onder redactie van Marc Hoogheover de theorie van het sociaal kapitaal à la Putnam. ‘Sociaal kapitaal’ werd gezien als de aanwezigheid van vertrouwen en normen van wederkerigheid. Die hele benadering is een kind van de neoliberale tijdsgeest. De burger moet zelf actief zijn en ’de authentieke gemeenschap’ in plaats van de overheid zal een vangnet vormen. In deze tijd is het hip om te zeggen dat problemen te maken hebben met samenleven van mensen. Maar er zijn problemen die eraan voorafgaan: huisvestingsproblemen, het verlies aan sociale zekerheid, het bedreigd zijn in je inkomen of arbeidssituatie. Als je mensen in te kleine en slechte en luidruchtige huizen samensteekt ontstaan er automatisch problemen, maar de roep naar sociale cohesie versluiert de echte problemen. Sociale cohesie is een afgeleide problematiek.

Dergelijke concepten hebben bovendien een uitgesproken moralistische inslag. Ze lijken verdacht veel op pogingen om oude waarden en normen nieuw leven in te blazen om zieke plekken uit het maatschappelijk lichaam weg te snijden. Het is denken in termen van sociale hypochondrie (W. Schinkel). Maar wie bepaalt er wanneer er een goede samenhang is en hoe die eruit ziet? Die benaderingen insinueren altijd dat mensen in achtergestelde omgevingen per definitie in een halfcriminele sfeer leven en het authentieke weefsel hun morele decadentie en gedrag kan wijzigen. Termen als ‘sociaal kapitaal’ en ‘sociale cohesie’wijzen vooral op de moeilijke omgang met tegenstellingen en conflicten; ze poneren eeneenheidsdenken waaruit dan bepaalde mensen wegefilterd worden. Hoe goed bedoeld ook, het werkt polariserend. Sociale cohesie wordt vooral gevraagd in achtergestelde wijken, niet in rijke wijken”.

> Welke stad willen jullie tegen die achtergrond creëren? “Ik gebruik graag het onderscheid tussen ’de onderhandelde stad’ en ’de repressieve stad’. Op dit moment is er een tendens richting repressieve stad en toenemende beheersing. Wij willen een stad waarin iedereen die er woont zich thuis voelt en zich ook vreemd voelt, omdat je rekening moet houden met zaken die je identiteit in vraag stellen.

Opbouwwerkers moeten strategisch inzicht hebben in de posities die ze innemen en in de handelingen die ze stellen. We moeten kiezen voor de onderhandelde stad in het voordeel van de meest kwetsbare groepen. Eric Corijn verwijst naar de manier waarop pleinen altijd worden ingericht voor een bepaald publiek. We deden ooit een project aan de Hooikaai in de Begijnhofwijk, nu grotendeels een gegentrificeerde wijk. Er is echter nog steeds wat sociale huisvesting waar hoofdzakelijk Marokkanen wonen. Een aantal jaar geleden kwam het idee van de BIM (BXL Instituut Milieubeheer) om de Kaai duurzaam te herinrichten. Samenlevingsopbouw werd gevraagd dit te begeleiden en te bemiddelen tussen de verschillende groepen. Daardoor konden we die groepen met de minste mogelijkheden niet meer voluit verdedigen. Op die manier werden we klem gezet door de sterke groepen die het plein heringericht wilden zien naar eigen wensen.

Zo was er een Vlaamse woordvoerder die het basketbalterrein op dat plein weg wou. Een mooie fontein en banken zouden de grandeur van de KVS herstellen. Uiteindelijk kwam er een ontwerp waarbij het speelplein zo ver mogelijk van de KVS en zo dicht mogelijk bij de sociale woonblokken kwam. De stad Brussel en de middenklasse gingen gezamenlijk strijden voor hun ontwerp tegen de achtergestelde groepen, terwijl niemand die verdedigde. Participatiebemiddeling moet door de Stad opgenomen worden. Werken rond leefbaarheid betekent vertrekken vanuit de visie dat die leefbaarheid door verschillende mensen en groepen anders ingevuld wordt en dat het beter is dat die visies met mekaar geconfronteerd worden, dan dat vanuit een vooronderstelde consensus een overheersende mening doorgedrukt wordt”.

PASCAL DEBRUYNE EN STIJN OOSTERLYNCK

nvdr: Artikel overgenomen van uit Tiens-Tiens 15, de andere k(r)ant van Gent Ook te vinden op hun website

Beginpagina

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.